In Nederland is regen eerder regel dan uitzondering. Met meer dan 200 neerslagdagen per jaar krijgen pluimveebedrijven vaak te maken met natte omstandigheden. Toch wordt regenwater zelden gezien als een serieus bioveiligheidsrisico. Onterecht, blijkt uit recent praktijkonderzoek: water kan een verrassend efficiënte transporteur zijn van vuil, stof en ziekteverwekkers.
„Het advies om regenwater te weren, is niet nieuw”, zegt pluimveedierenarts en epidemioloog van Universiteit Utrecht, Francisca Velkers, een van de onderzoekers in het praktijkonderzoek. Volgens Velkers is het basisadvies al jaren hetzelfde: houd het erf en de omgeving van de stal zo droog mogelijk. „Waterplassen trekken vogels en plaagdieren aan. Vogelpoep op het dak wil je gecontroleerd afvoeren. Goed werkende dakgoten en ondergrondse afwatering voorkomen dat regenwater richting stal stroomt of naar binnen waait.”
Toch blijkt in de praktijk dat dit nog lang niet overal op orde is. Verstopte goten, regengoten die uitkomen op het erf en plassen water vlak bij stallen en deuren: het zijn regelmatig voorkomende situaties. En dat vergroot het risico.
Ook stilstaand water kan indirect problemen veroorzaken. „Denk aan muggen die zich daarin kunnen ontwikkelen en ziekteverwekkers kunnen overbrengen”, aldus Velkers. Veel pluimveehouders denken niet direct aan regenwater als besmettingsroute. Via kleine kieren kan regenwater meters ver de stal binnendringen en daarbij ziekteverwekkers meenemen richting de dieren.