Nieuws

Praktijkonderzoek legt 'onzichtbare' insleeproutes bloot

Goede bioveiligheid op pluimveebedrijven hangt niet alleen af van de aanwezigheid van goede voorzieningen, maar vooral van het dagelijks gedrag. Dat blijkt uit een onderzoek naar insleeprisico’s voor vogelgriep. Insleeprisico’s kunnen vooral ontstaan op momenten waarop mensen, dieren en materialen het bedrijf in- en uitgaan en door kleine, terugkerende handelingen.

Facturatie door AVINED

In de week van 10 juni 2025 worden de facturen voor de aangewezen databanken (2025), Onderzoek en Innovatie (2e deel 2024) en zelfcontrole antibiotica (2025) per mail verstuurd.

Nieuwe versie van Mijn AVINED

Dinsdagmiddag 22 april wordt de nieuwe versie van Mijn AVINED gepubliceerd. Mijn AVINED krijgt een verbeterde vormgeving in de huisstijl van AVINED. Daarnaast wordt het systeem iets sneller in gebruik.

Meer nieuws

Avined

Stichting AVINED heeft als missie om met een efficiënte dienstverlening de huidige duurzame en robuuste marktpositie van de Nederlandse pluimveesector verder te versterken.

Lees meer

Menselijk gedrag blijkt cruciale factor in bioveiligheid

Praktijkonderzoek legt ‘onzichtbare’ insleeproutes bloot

Menselijk gedrag blijkt cruciale factor in bioveiligheid

Tekst: Monique van Loon, bron: Pluimveeweb 12-02-2026

Goede bioveiligheid op pluimveebedrijven hangt niet alleen af van de aanwezigheid van goede voorzieningen, maar meer van het dagelijks gedrag. Dat blijkt uit een onderzoek naar insleeprisico’s voor vogelgriep. Insleeprisico’s kunnen vooral ontstaan op momenten waarop mensen, dieren en materialen het bedrijf in- en uitgaan en door kleine, terugkerende handelingen.

Kees de Jong, voorzitter vakgroep Pluimveehouderij LTO/NOP en voorzitter Avined: „De sector werkt al jaren met bioveiligheidsmaatregelen, maar insleep van ziekteverwekkers blijft een structurele dreiging. Dit onderzoek laat zien waar het in de dagelijkse praktijk mis kan gaan en helpt veehouders om gerichter aan de bioveiligheid van hun bedrijf te werken. Daarom vonden we het belangrijk als sector om dit onderzoek te ondersteunen.”

Om beter zicht te krijgen op hoe ziekteverwekkers in de dagelijkse praktijk hun weg naar binnen vinden, voerden dierenartsen, epidemiologen, plaagdier- en vogelexperts van Universiteit Utrecht, Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), Royal GD en Sovon samen met veehouders een uitgebreid praktijkonderzoek uit. Juist het praktijkgerichte karakter was reden voor de sector om dit onderzoek te ondersteunen, samen met het ministerie van LVVN.

Met bedrijfsbezoeken, gesprekken, hygiënescans, cameramonitoring en fluorescentietesten werden acht verschillende pluimveebedrijven doorgelicht, waaronder vleeskuikenouderdieren, reguliere en biologische leghennen, vleeseenden, reguliere vleeskuikens en 1 ster Beter Leven-vleeskuikens.

Goede basis, maar gedrag maakt het verschil

Op alle onderzochte bedrijven waren de technische randvoorwaarden voor goede bioveiligheid aanwezig. Er waren duidelijke scheidingen tussen schone en vuile zones, mogelijkheden voor kleding- en schoeiselwissel, aandacht voor bezoekershygiëne, en vaak een overzichtelijk erf. Ook bleek de bereidheid om verbeteringen door te voeren groot; op meerdere bedrijven werden tijdens of kort na het onderzoek al aanpassingen gedaan.

Tegelijkertijd lieten camerabeelden en fluorescentietesten zien dat risico’s vaak niet zitten in wat er ontbreekt, maar in hoe voorzieningen dagelijks worden gebruikt. Kleine, terugkerende handelingen – zoals het passeren van een deur zonder schoeiselwissel, overstappen op sokken of het niet consequent wassen van handen – creëren routes voor onbedoelde versleping van vuil en mogelijk besmet materiaal.

Logistiek als kwetsbaar moment

Een belangrijk aandachtspunt is de logistiek rond eieren, dieren en materialen. Hoewel wielen van transportwagens en schoeisel vaak worden gedesinfecteerd, kan dit in de praktijk een schijnzekerheid geven als er niet vooraf wordt gereinigd. Fluorescentietesten maakten zichtbaar dat vervuiling van buiten gemakkelijk de eieropslag binnenkomt en zich van daaruit verder door het bedrijf kan verspreiden. Desinfectie werkt alleen als eerst goed is gereinigd en heeft een lange inwerktijd. „Juist daarom is het vaak effectiever om na risicomomenten, zoals eierafvoer, die ruimte gericht te reinigen en te ontsmetten, in plaats van te vertrouwen op desinfectie alleen”, benadrukt Willem Dekkers, pluimveedierenarts van Royal GD en een van de onderzoekers van dit project. Hij voerde vooral het fluorescentieonderzoek uit.

Onderschatte routes

Naast menselijk handelen spelen ook bouwkundige details een rol. Kleine kieren, slecht afsluitbare deuren en wintergartens boden op meerdere bedrijven toegang voor insecten, zangvogels en knaagdieren.

Plaagdierdeskundige Sara Burt: „Piepschuimkevers bleken zich zelfs onder deuren van binnen naar buiten en weer van buiten naar binnen te verplaatsen. Dat zijn routes waar je niet meteen bij stilstaat, maar die wel degelijk bijdragen aan insleeprisico.”

Mogelijke risico’s door watervogels hingen vooral samen met nabijgelegen waterpartijen, seizoens- en weersinvloeden en tijdelijke foerageermogelijkheden door akkerbouwactiviteiten. Rond de stallen werden veel erf- en zangvogels gezien, zoals mussen, kwikstaarten en kraaiachtigen. Deze soorten kunnen fungeren als ‘bruggastheren’ door ziekteverwekkers uit de omgeving naar de directe stalomgeving te brengen. Ook honden en (verwilderde) katten op het erf vragen aandacht, vooral als zij toegang hebben tot voorruimten of opslag.

Goede bioveiligheid draait minder om voorzieningen en meer om dagelijks handelen

Een andere opvallende bevinding was de rol van regenwater. Fluorescentietesten lieten zien dat water onder deuren of afsluitgordijnen van wintergartens naar binnen kan stromen en daarbij vuil en stof van het erf meeneemt, soms tot diep in het dierverblijf.

Bedrijven waar bijvoorbeeld een plank of een dikke laag strooisel bij deuren lag, daar hielden die het meeste water tegen. Dat benadrukt het belang van goede afdichting, afwatering en regelmatig onderhoud, geeft Willem Dekkers aan.

Van inzicht naar actie

De belangrijkste conclusie van het onderzoek: goede bioveiligheid zit niet alleen in de structuur van het bedrijf, maar vooral in consequente dagelijkse routines. Door kritisch te kijken naar logistiek, onderhoud en gedrag kunnen risico’s verder worden verkleind.

Kees de Jong sluit af met een oproep aan pluimveehouders: „Gebruik de inzichten van dit onderzoek als startpunt voor een gesprek met je dierenarts. Bespreek het gebruik van hulpmiddelen zoals fluorescentietesten en cameramonitoring eens om risico’s op jouw bedrijf zichtbaar te maken. Samen kun je op die manier het bioveiligheidsplan praktisch en bedrijfsspecifiek maken, zodat je de zwakke plekken van je eigen bedrijf eruit haalt, en maatregelen meerwaarde geven en ook echt werken in de dagelijkse praktijk van je bedrijf.”